Joop Mackaaij (1938-2025) bleef tot het einde trouw aan de judomat: ‘Dat was zijn leven’

De Utrechtse judoka en judoleraar Joop Mackaay is op 29 december 2025 op 87-jarige leeftijd overleden. Dinsdag 6 januari namen velen afscheid van hem tijdens zijn uitvaart. Tot diep in zijn leven bleef hij trouw aan de judomat.

Dit artikel stond 12 januari in het AD / Utrechts Nieuwsblad, geschreven door Marius van den Heuvel

Joop Mackaay werd geboren en getogen in Wijk C en begon op zijn dertiende met judo, geïnspireerd door buurtgenoot Anton Geesink. Hij groeide uit tot een internationaal gerespecteerd judoka, met onder meer een Europese vice-titel en de achtste dan. „Een geweldige judoka en een prachtig rechtvaardig mens’’, zegt de voorzitter van Judo Ryu Mackaay, Grietje Landsman.

Tot zijn overlijden op de mat

Ook toen zijn gezondheid achteruitging, bleef Mackaaij zo lang mogelijk actief. Hij woonde in een Utrechts verpleeghuis, waar zijn vriendin Josian Stikkelbroek voor hem zorgde en erop toezag dat hij alles bij zich had wat hij nodig had. Tot aan zijn overlijden gaf hij, samen met goede vriend Henny Stomphorst, judotraining.

Anita Nieuwenhuis, oud-voorzitter en al ruim 36 jaar zijn leerling, haalde hem het laatste anderhalf jaar wekelijks op om samen naar de training te gaan. „Vaak zat hij al klaar voor ik hem kwam ophalen, en dat is knap voor iemand met beginnende Alzheimer’’, vertelt ze.

Eenmaal op de mat leefde hij helemaal op. „Dan had hij dat feilloze gevoel terug. Hij kon nog steeds aanwijzingen geven, met humor en scherpte.’’

Dat herkent ook Landsman. „Vaak eindigde hij een training met een mop. Dat kon hij zo lekker vertellen, met zo’n typisch Utrechtse tongval. Hij had ook wel eens bijzondere uitspraken zoals: ‘Je ken d’r geen boerderij mee winnen.’ Dan moest je altijd lachen, maar je snapte precies wat hij bedoelde.’’

Mackaay geloofde in de eenvoud van judo. Vanuit zijn achtergrond als topjudoka leerde hij zijn leerlingen dat je niet moest overdrijven: techniek, balans en logica stonden centraal. Landsman: „‘Doe maar gewoon’, zei hij vaak. Hij had een duidelijk beeld van hoe je moet judoën en daar moest je volgens hem niet te veel van afwijken.’’

Cornelis Vreeswijk en The Dubliners

Naast judo stond Mackaay ook bekend om zijn zang en zijn verhalen. Hij kende talloze Nederlandse en Ierse volksliederen uit zijn hoofd, net als een groot deel van het repertoire van Cornelis Vreeswijk. In de auto, op feestjes of na de training: er werd vaak gezongen. „Als praten lastiger werd, gingen we zingen’’, vertelt Nieuwenhuis over de ritten terug naar huis.

Vooral het nummer The Wild Rover van The Dubliners was een lied dat ze samen vaak zongen. Tijdens zijn uitvaart zongen de aanwezigen samen dat nummer. Nieuwenhuis: ,,Dat voelde als het vieren van zijn leven. We blijven Joops liedjes zingen.’’